Museum Jan Cunen is een kunstmuseum gevestigd in een monumentale fabrikantenvilla in het centrum van Oss
Telefoonnummer
+31 (0) 412 798 00
Email
info@museumjancunen.nl

Gebouw en historie

VILLA CONSTANCE
De monumentale villa waarin Museum Jan Cunen is gehuisvest, wordt in 1888 gebouwd. Opdrachtgever was Arnold van den Bergh (1857-1932). Hij vernoemde het pand naar zijn in dat jaar geboren dochter, Constance. Arnold van den Bergh was een zoon van de Osse margarinefabrikant Simon van den Bergh (1826 - 1907), die in 1872 van het Heschepad een margarinefabriek begon. Van den Bergh was in Oss niet de enige; zijn concurrent Anton Jurgens was een half jaar eerder met de productie van margarine gestart. Om de fabrieken beter bereikbaar te maken en zijn afzet te verbeteren, vatte Van den Bergh rond 1890 het plan op om vanaf de Maas een kanaal aan te leggen dat in de buurt van het station zou uitkomen. Een alternatief plan, waarbij de haven dichter bij de Jurgensfabrieken werd gesitueerd, kreeg echter meer steun door de positie van Anton Jurgens in de gemeenteraad. Daarom schortte Van den Bergh zijn medewerking aan de havenplannen op. Geen van beide plannen vond uiteindelijk doorgang. Om zich toch te verzekeren van goede verbindingen verplaatste Van den Bergh zijn bedrijf in 1891 naar Rotterdam.

ARNOLD JURGENS
De slechts kort door Van den Bergh bewoonde villa werd verkocht aan concurrent Arnold Jurgens (1842-1912), een van de drie broers Jurgens die in 1871 samen met hun vader Anton (1805-1880) in Oss voor het eerst wereldwijd startten met de productie van ’fabrieksmatige’ kunstboter (margarine). Arnold Jurgens veranderde de naam van het huis in ‘Villa Johanna', naar zijn vrouw, Johanna (roepnaam Hanneke) Jurgens-van Woerkom (1841-1909). Zijn moeder heette eveneens Johanna; wellicht heet dat ook een rol gespeeld bij het omdopen van de villa. Gedurende bijna  negentig jaar droeg de villa die naam. Dar veranderde pas bij een renovatie in de vroege jaren tachtig toen de oorspronkelijke naam ’Villa Constance' op de voorgevel werd herontdekt.

FRANSE KLOOSTERZUSTERS
Arnold Jurgens, die sinds 1895 niet meer actief bij de fabriek was betrokken, vertrok in 1899 naar Nijmegen. De Franse kloosterzusters 'Religieuses Files de Notre Dame' vestigden een pensionaat voor meisjes in de villa. De zusters waren lang daarvoor naar Nederland gevlucht voor kerkvervolgingen in Frankrijk. De merendeels uit Frankrijk afkomstige meisjes woonden in de villa, de nonnen huisden in het koetshuis aan de Ridderstraat, het latere politiebureau dat nu een advocatenkantoor is. De zusters lieten voor een makkelijke passage tussen de panden een galerij in de tuin tussen villa en koetshuis aanleggen.

BELASTINGONTVANGERS
Waarom de zusters omstreeks 1910 zijn vetrokken, is onduidelijk. Wel is bekend dat Villa Johanna daarna achtereenvolgens werd bewoond door twee belastingontvangers en hun gezin: Ligtenberg (1910-1916) en Motké (1916-1919). Een van de kinderen van Ligtenberg kreeg de namen Johanna Constance, naar de vroegere bewoners. De villa bleef in die tijd eigendom van de Franse zusters.

STADHUIS
In het tweede decennium van de Twintigste eeuw was het Osse stadhuis op de Heuvel, gebouwd in 1768, te klein geworden voor de al meer dan tienduizend inwoners tellende stad. Charles Estourgie, onder andere de architect van de fabriek en het kantoor van Jurgens, kreeg de opdracht voor een nieuw stadhuis op de Heuvel. De kosten van nieuwbouw waren echter zo hoog, dot besloten werd Villa Johanna als stadhuis te gaan gebruiken. Het pand werd in 1920 aangekocht, waarna er uitgebreide plannen werden gemaakt voor de verbouwing van de villa. Ook het park werd flink onder handen genomen. Van 1921 tot 1974 was de villa in gebruik ols stadhuis van Oss. In november 1935 werd in het souterrain van dit stadhuis een gemeentelijk museum opengesteld door archivaris Jan Cunen


In de jaren zestig werd ook Villa Johanna als gemeentehuis te klein. Tal van afdelingen en diensten waren elders ondergebracht, onder meer in tegenover het stadhuis gelegen woningen aan de Molenstraat en in de barakken aan de Boterstraat. Architectenbureau Oskam en Geenen uit Eindhoven won in 1964 de prijsvraag voor het ontwerp van een nieuw stadhuis, waarvan de realisatie echter nog tien jaar op zich zou laten wachten.

In mei 1974 werd het nieuwe stadhuis betrokken. Er waren toen al plannen voor de opzet van een museum in Villa Johanna. Het in- en exterieur van de villa moesten daarvoor echter worden opgeknapt en aangepast en men schrok vooralsnog terug voor de kosten die daarmee waren gemoeid. Van 1974 tot 1980 werd het gebouw gebruikt door Poppentheater Marag en verschillende gemeentelijke diensten, zoals het Stadsgewest, Recreatieschap   en Woonwagenschap. De noodzakelijke verbouwing en renovatie werd uiteindelijk in 1980 gestart.

LUXE BOUWSTIJL
Ondanks verschillende verbouwingen is Villa Constance een goed voorbeeld van een luxe fabrikantenvilla, waarin de smaak van de negentiende-eeuwse burgerlijke elite tot uitdrukking komt. Zowel het exterieur als het interieur weerspiegelen die luxe. Zo zijn aan de buitenzijde verschillend   gekleurde steensoorten gebruikt en valt het interieur van de zogenoemde bel-etage op door het stucwerk, de parketvloeren met inlegwerk en de   beschilderde en rijk geornamenteerde plafonds. De monumentale hal met de statige bordestrap heet een fraaie parketvloer en decoraties in papier-   maché. Nu zijn de wanden en plafonds hier wit gesausd, maar oorspronkelijk kenden deze ook een polychrome afwerking. Villa Constance toont een   mengsel van stijlen: de hal vertoont Neo-renaissancistische trekken, terwijl andere zalen wat klassieker zijn door het gebruik van lijsten en   ornamenten. Sinds 2001is Villa Constance een rijksmonument.

VAN JAN CUNEN TOT MUSEUM
Jan Cunen, geboren in 1884, was lid van een bekende Osse familie. Hij ging naar school bij de fraters, werkte een tijd in de textielzaak van zijn  ouders, verbleef een jaar bij de trappisten in Diepenveen en studeerde van 1908 tot 1912 aan het gymnasium van de minderbroederfranciscanen in Megen. Hij trok opnieuw in bij de trappisten, nu in Rochefort (België), maar kwam in 1915 terug naar Oss om zich toe te leggen op de bestudering van de lokale geschiedenis. Vanaf 1919 publiceerde Jan Cunen regelmatig over de geschiedenis van Oss, onder andere in het weekblad De Stad Oss. In 1929 aanvaardde hij een functie bij het rijksarchief in 's-Hertogenbosch, waar hij van 1929 tot 1932 was belast met het ordenen van het Osse gemeentearchief. Nadat hij in 1934 een archiefexamen had afgelegd, werd hij per 1 juli 1934 aangesteld als archivaris van Oss. Dat bleef hij tot zijn dood in 1940.

EERSTE IDEEËN
In 1932 kwam Cunens belangrijkste historische werk uit: De geschiedenis van Oss. In 1939 volgde de Nieuwste geschiedenis van Oss. Beide werken zijn in 1974 in een gecombineerde herdruk verschenen. In 1932 ontstonden tevens de eerste plannen voor een museum. Zo was het gemeentebestuur gestart met de verwerving van portretten van Osse industriëlen en burgemeesters. Nadat in 1933 op de Osse Hei - het huidige 'Vorstengrafdonk' — belangrijke archeologische vondsten werden gedaan, waaronder een met bladgoud ingelegd, kromgebogen ijzeren zwaard (nu in bezit van het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden), kreeg het museum langzaam gestalte. Vanaf die tijd ontving Jan Cunen ook schenkingen van burgers uit stad en streek, voornamelijk in de vorm van archeologische en streekhistorische objecten. Vanaf januari 1934 richtte Jan Cunen in het souterrain van het stadhuis het museum in, dat in november 1935 werd opengesteld. Hij wist de collectie uit te breiden met onder andere religieuze beelden, textiel, munten, penningen en andere archeologische vondsten. Al in het begin van de jaren veertig moest daarom voor het museum naar een andere ruimte worden uitgezien. Jan Cunen heeft het vervolg niet meer meegemaakt. Een zwakke gezondheid velde de vrijgezel in 1940 op 56-jarige leeftijd. Na de oorlog werd bij de bouw van de Sociale Dienst in de tuin van het toenmalige stadhuis rekening gehouden met een museum op de zolderetage. De raad noemde het museum op 29 juni 1949 'Jan Cunen Museum, museum voor Oss en omgeving'.

JAN CUNEN MUSEUM
Conservator van het museum werd A. de Werd (1906 - 1977). Onder zijn beheer werden enkele tentoonstellingen gehouden die ver buiten Oss de aandacht trokken, zoals De Nederlandse Impressionisten, De pracht van de gouden eeuw, Moderne Expressionisten en Romantische en Haagse School. Bij de opbouw van de collectie kreeg De Werd veel steun van burgemeester G. Delen en kunstkenner P. Scheen, die niet alleen De Werd adviseerde maar ook enige schenkingen deed. Mede omdat er in Zuid-Nederland geen openbare verzameling bestond van schilderkunst uit de negentiende eeuw, viel in Oss het oog op de Romantiek en het Nederlands Impressionisme (Haagse en Amsterdamse School). Tot in de jaren zestig werd de collectie tot een zeventigtal schilderijen en tekeningen uitgebreid. Het museum op de zolder van de Sociale Dienst had intussen het veld moeten ruimen voor deze zich uitbreidende dienst.

JAN CUNEN CENTRUM
Rond 1972, toen duidelijk werd dat er een nieuw stadhuis zou komen en Villa Johanna, of Villa Constance, een nieuwe bestemming moest krijgen, bezon het gemeentebestuur zich op een nieuwe aanpak. Daarbij werd gedacht aan een museum met een educatief karakter onder de naam Jan Cunen Centrum. Nadat in 1974 een deel van de collectie was geëxposeerd bij de viering van 575 jaar stad en in 1975 in het kader van het Monumentenjaar, stelde het gemeentebestuur een werkgroep in die zich bezighield met de realisering van het Jan Cunen Centrum. In 1977 en 1978 werden bij wijze van proef twee educatieve projecten gerealiseerd: Vondsten uit een ver verleden en Ossenaren, de botermakers van huis uit. Ze sloegen erg goed aan bij het onderwijs en bij particulieren. De behoefte en belangstelling voor een museum nieuwe stijl waren daarmee aangetoond.